P O Ë Z I E
 
 
ZEG MAAR ORPHEUS MET EEN MOND VOL GRIND

op een ach werd ik wakker met neuzen recht en alle ogen lief
ze had een naam die zong op mijn ribben en ik brak
mijn schepen in de haven spuwde in de vulkaan rookte
uit alle macht wachtte met man en de muis op gepiep
in mijn borstzak en het was een mooie avond
om continenten te verdrinken en toen gebeurde er niets

maar op een wacht maar werd ik lief en wakker en rechtte mijn neus
om haar naam te zingen trok het verband van mijn wonden betaalde
mijn schulden stopte bij wijze van spreken met roken en ik zei iets anders
dan ik bedoelde want ik zei iets anders dan alsjeblieft
begin je zorgen te maken over mij

en op een nacht werd ik wakker en hoestte haar naam uit die zong
op mijn ribben en toen werd ik wakker en bijkans blond van het bloeden
vergat ik de wachtnacht het braken en de wind die door mijn builen huilt
als rook op mijn ribben en ik besloot van haar te blozen en nog altijd
gebeurde er niets

        er is een raadsel en het gaat als volgt
        wie a zegt is bijna bij z

donder bonkt op dove slapen zwart is het weer om honden te eten uit woede
of baby’s krijsend te kelen in het bos verliezen van duitsland
geef mij gele woorden dat ik schepen breek om te spugen
in vulkanen die vloeken met hun jodelend smoel
geef mij gele drank om te spugen op sissend grind geef mij
scherpe gemene wapens en blaffende nacht geef mij kleine tranen
om te huilen eindelijk kansloos in jouw voortaan welig zacht en goed
in jouw welig zacht en goed eindelijk voortaan
kleine tranen hoor maak je geen zorgen

        er is een raadsel en het gaat als volgt
        wie gezien is gaat niet weg

en toen ontstak ik in lied niet na te zingen zo schroevend
zo ging het dat het begon en niet ophield met rijm erop en eraan
op de wijze van gepiep dat uitbleef in mijn borstzak
en mijn telefoon warm zacht welig en goed want ik had
zo veel te zeggen al wist ik niet wat en toen brak ik
en dat ging als volgt

        zal als een tuin zijn
        van warm statig koren
        de laatste geliefde
        zo zal ik er horen

        zal als een dag zijn
        van stil blozend rijpen
        de eerste beminde
        zo zal ik begrijpen

        zal als een woud zijn
        van zingende dennen
        de eerste bezielde
        zo zal ik herkennen

        zal als een nacht zijn
        van ademend staren
        de laatste der vrouwen
        zo zal ik bedaren

en toch gebeurde er niets en hoewel dat akelig was
was het niet naar want ik wist het middeleeuws te verbijten
bad het lied van haar naam dat ruiste op mijn ribben onthavende mij
om uit te varen droogde het grind veegde de briesberg
zijn mondhoeken af en de grijns van de smoel van de hond
en begon als het ware te roken gekromde tollenaar in de hoek
van haar herberg en bloedende blik bond ik de vuile zwachtsels
kledderig terug om hun etter en zo ik aan dek van haar deining
ooit nog zou zingen van morgen zou het onhoorbaar
wonderlijk zijn met schorre trom op hoestende snaren

        er is een raadsel en het gaat als volgt
        engeland is gesloten

en op een ach werd ik wakker met alle ogen recht en muizen stil
er piepte geen wachting in mijn borstzak want het zout lag kalm
en ik wist dat er niets meer zou gebeuren

aldus ben ik hoofdelijk aangespoeld met een mond vol zilt lied
dat de oorsprong van de dingen kent en hun zevende afloop op de kille dag
want ik was gevallen in de hand van mensen die doen
wat ze doen als honden hoektandig scheurzoenend
bloedtongend hapzuchtig bijtkusgraag doen
als honden zijn ze als vrouwen die krijsen als kelende baby’s
in het bos ze kunnen niet zingen en ze begrijpen het lied niet
vegen er hun shirt mee af lossen geen raadsel op omdat ze het zijn
de b van het zeggen de buut voor de pot de sleutel van zwanen
en al zing ik de beken bergopwaarts de leeuw naast de hinde
de hond tot drie slapende koppen de rijke ontroerd
ze laten mij mythisch de zanger met een mond vol grind
die gele drank mag spuwen in de vulkaan en schepen mag breken
en al laat ik stenen zweven zij zullen mij hun spook laten zoeken
in blonde krochten blaffend met jodelend smoel en wind door mijn builen
niet na te zingen zo schroevend en al weet ik het ei eindelijk kansloos
warm welig goed als toeven in voortaan zij zullen het breken
omdat zij niet zien wat het is

        er is een raadsel en het gaat als volgt
        kijk niet om

Uit: In de naam van de hond. De grote gedichten (2005).

Top
 
CAROLINA (LAATSTE GEDICHT)

en terwijl ik dronk trokken ze aan mijn haren voorbij en het was mij goed
met manke poten kotslapopinies kwade of okéë bedoelslagingen
zaniken uit hun zultste koppen tongend in zure molens gebekt
of beboezemd zag ik ze aan routineus mijn moeder belde
dat ze naar had gedroomd over mij en ik dronk mijn vrienden de rij af
als een estafette van nertsen warm om de nek stropperig
zoals zij zingen gewordt mij de strakke zuurbuik van het wachten

aldus verwasemd in blauwgezilten zever zuur ontbraken
brak ik mijn dagen door het midden van de weg loom lover
lekkend uit voorspelbare keel in het duister woud dat ik begon te kennen
als de hand in mijn broek gesjord en terwijl ik dronk leek het mij goed
te drinken en der glazen zat verdwalend in mijn grijsgedraaide avontuur
bedacht ik mij zo iets mij nog bedacht in dwalen groots te zijn

laat mij daar door luikende ogen van bam zacht getroffen
door het liefste nekschot

zo

zo was het en toch ook weer niet want het was eerder al en eerder
plotsloos onopeens als de ontknoping van een oud sprookje
in een lang en gelukkig slot hoe het mij als bij slag ontwarde
driehonderdrozigslaapkoele lakens van handen kom maar
appeltjes kom maar klootzak liefje we moeten bandieten

zo was het want het was het grote ontwaren waardig en waar
van een gestalte zo vunzig prachtzaam en pronkvol voos
in de oude taal gebeiteld die alleen de besten nog verstaan
en het was zoals het was een klassiek mirakelloos wonder
van wrakhout dat de drenkeling omarmt je eigen naam
zacht gefluisterd in rumoer als een verbond een stille steeg
naast het plein waar de tanks niet komen een azuurwitte
tempel boven zee van marmer onontworpen om herkend
en daar om te duren

        daarom voor jou een echt klassiek sonnet
        met veertien regels rijmend als de neten
        zo neuken rijmt op kankerlijers eten
        en jij op mij en wereld niet op bed

        daarom voor jou een echt sonnet dat net
        als wij lang uitslaapt in het warme weten
        dat elke strofe die wordt toegemeten
        blijft rijmen op het rijm dat ons ontzet

        en welke volta wat voor kankerlijer
        dan ook voor ons in petto denkt te hebben
        hij kan de tandjes krijgen met zijn smoel

        en wat die hele wereld ook ons beider
        verbond voor slotsextet bedenkt we hebben
        genoeg aan rijm en laten boel de boel

boelbewusteloos verblutten wij de bende tot een mooie janboel
want als wij dat willen dan doen wij dat wij zijn er zo eentje
en dat is niet zomaar een feit maar een hard feit
bontkrochten trollerig warm en donker gezellig lekker mmm jaren dertig
als een molletje samen ieniemienie straf verdienen o ja zeker
heel veel straf denk maar niet dat je er zo makkelijk vanaf komt
dickie darling klootzak honneponnedoosje van me kom maar
appeltjes kom maar er is haaienporno en buiten is het tandjeskoud
dit is ons bandietenreservaat veilig de wereld bullshit buiten
en dan in bed liggen en wachten tot het overgaat dat is les één
gewoon een beetje knus voor het echie neuken schieten zuipen
pokeren en dan teken ik een stier voor je en hij krijgt ook kniekousjes
zo je bent een stier of je bent het niet

niet lachen anders wordt het een vieze vunzige vochtige bende
je hebt er de hele dag plezier van

haha vertieften wij de takken tot een mooie zooi
want zo zijn wij dan ook wel weer reken maar van apeyep
zo nu mag je even een half uurtje slapen shirley darling kutwijf
honneponnepluisje van me kom maar appeltjes kom maar
this is what fishing is all about en nep regent buiten
regelloopfuckingbaansodeverzekerkuttingzooi lekker belangrijk
als tom en brenda in een wijk hazig in een angstwijk als bas en yvonne
regent het op het dak en dan net doen of het een tent is
een tipi en nooit meer tandenpoetsen jippie
en dan teken ik de debiele randchinees in zijn belachelijke ballenpakje
en gezellige dieren als het langoor konijn dat motherfucker zegt
je bent een bandiet of je bent het niet

niet lachen anders wordt het een natte kleffe janboel
je kunt er de hele dag mee vooruit

en toen ik eindelijk de suikerkoeien zachtjes hoorde spinnen
en de kat was goed en van de buren en de nacht was goed
en van mij met jou er verrassend bij werden speciale koeien
waarom wij moesten lachen in het stadspark want wij lachten
wel om meer dingen

hou je hand op en ik spuug erin alles wat ik heb allehoeren
mondje open en ik spuug erin alles want ik ben mongool
zonder step hertenjager met straf als een half uurtje slapen
plaktattoo van je dijen heb jij soms je kutje
bij de wilde spinnen van wanten afgeschoren?

ik ben aan jou verwricht

ooit schreef ik gedichten in de naam van de hond
maar nu is mond en mond ben jij en ben jij
de koortsende zwichtster natgedroomd waar
naast de droomsjorrer vunsman van vol
mondig amenend happen naar monden
lijfvlechtend warmvechtster van droesem
droomster van mijn biechtgeheimzinnig zinderend
zweven op mond en mond ben jij en ben jij
verzaligster in lijve

        terwijl buiten iedereen nog dood moet
        groetjes gevend langs de kaden in hun wijken
        met al dat nutteloos miepend geleef
        lekker belangrijk kunnen ze de meritis krijgen

ben jij en ben jij zinderzaam de prachtster in lijve
verslaapster van mijn mondig snakzaam zakken
in warmte van jouw slapen penseelprachtzaam
tweelinglichaam van mijn gesternte ben jij
mond van mijn mond vingers van mijn alles
zwevend de luikster van ogen broeibuikster
grimmelend de ware mond ben jij
en val je niet op te schrijven want van geen leven
ben ik ooit waarder geweest dan nu

        en zo werd ik opeens door niets bedacht
        en onbezocht door regen en het wensen
        ontvlochten rond te misten en te drenzen
        op droesem van mijn zelfverzonnen nacht

        en zo werd ik verzacht weer opgegraven
        verrees ik uit de humus van mijn hopen
        liet hond de hond langs kaden kon ik lopen
        als man van heel het blafloos ware laven

        want zo mij iets nog dorst dorst jij mij immer
        of woorden van gelijke strekking daarom
        wil ik de klank van volrijm op jouw lijf

        dus blijf ik rijmen op jouw lijf voor immer
        en fuck het blaffen en de kaden daarom
        voor jou de laatste klinker die ik schrijf

en al die tijd had het zo simpel kunnen zijn als het nu is
in wondere warempelloosheid verklonken
rug aan rug als dickie en shirley met onze doorgeladen liefde
right between the eyes van elke motherfucker die het left
te druilen met zijn dramsmoel over dingen

en al die tijd had het zo simpel kunnen zijn als yep
en jippie met sterretjes cowboybehoed op mongoolse paarden
de dag verdagen tot diep in de prairie die schatert
van gehonnepon dat schalt in galop door de nacht
en we zullen koninklijk straten blozen op elkaars pokerwang
en paarden stelen op elkaars lippen
zo

dus zo simpel zal het dan ook zijn allehoeren!
laten we honden de honden en moffelen we wereld weg
achter plintjes van onze belangrijkere zaken
je bent een bandiet of je bent het niet

dit is carolina jouw gedicht en beter dan dat
wordt geen gedicht meer geschreven want wat
moet een gedicht in deze dagen dat likt aan verlangen lengen
als een hond aan de hand die hem hond heet en slaat
en zich de kaden droomt om naamloos namen na te janken?
niet janken! dat is geweest en over en over trek ik deze letters
van jouw naam het laatste gedicht zal duren
waar het avonturen regent in het echt en echte stenen
zweven omdat wij ze gooien zoals nootjes door de kamer
gekankerd zo simpel kan het blijkbaar zijn
te blaken zonder regels in het volrijm op elkaar en het te weten
zolang wij heten staat het laatste gedicht
onder jouw naam geschreven

zo

Uit: In de naam van de hond. De grote gedichten (2005).

Top
 
HET IDEALE GEDICHT

in een niet nader aangeduid seizoen
schreef ik in de ik-vorm een tijdloos
en meerduidig gedicht over het raadsel
van het bestaan dat met weemoed en humor
tot nadenken stemde en ontroerde
het had geen strakke vorm er kwamen zeekoeien in voor
en berekeningen van salonbèta’s die wel klopten
maar niet van toepassing waren en woorden zoals houtekiet
waarop je niet kunt rijmen alsmede koenraads kleefpastei
en zeezoutwit dat altijd blauwer opdroogt dan je dacht
en iemand die zei hebben jullie dat nou ook
maar niemand had dat ook het was een ideaal gedicht

en maar want toen ik jou toen ik jou zag zitten
leunen en liggen in jouw weergaloze jij-vorm
met het pronte volrijm van jouw deinend distichon
op het dwingend strakke metrum van jouw maten
in fracties van seconden volmaakt expliciet
en eenduidig uitgelicht tot in de volta die een val-
kuil was van tranen in jouw golvende klinkdicht
tussen jouw octaaf omarmend uit graniet gehouwen
en terzinen die dansten als zinnen voor mijn ogen

toen brak lente los van zingen en om nooit meer
na te denken en vloog elke vogel op tot in zijn lied
klopten alle vergelijkingen met jou als onbekende
rijmde mijn bestaan op het raadsel van jouw lijf
lijm van mijn lippen sap van mijn blauwende weemoed
zee van mijn zweefduik zout van mijn loeiende wonden
want zo was jij om nooit meer om te slaan
ik heb je gezoend gelikt gezoend en uitgeknipt
en opgeprikt waar ik jou dag en nacht kan lezen

                jij o mijn pure vorm mijn ideaal gedicht

Uit: Dolores. Elegieën (2002).

Top
 
VUURVOGEL

poëzie is geen poging tot pogen te prevelen
wat de onuitsprekelijk sensibele ziel in eenzelvige stilte
denkt niet te vermoeden omtrent het onzegbare
van verstilde binnenmeren
want wie zich het zeggen ontzegt
zal niet zingen

poëzie is geen verstaanbaar verslag in eenvoud ingediend geen
doorlichting van ontbonden factoren die scherp en zinnig belicht
helderheid put want het klontert en het schift en
niets in jouw hoofd is helder ontleed
wie klaarheid zegt is klaar met zeggen
en hij zal niet zingen

een madeliefje meubelstuk of kinderziel zo zien
zoals het zelden is gezien zo is niet de poëzie
want bedeesd aquarelleren doen de zondagsschilders
niet de zuiver ziedende dichter die zich op het spel zingt

puistig provoceren op een popi podium is geen poëzie
want poëzie is geen performance
versterkte taal die niet electrisch vonkt
blijft blubberen als zwakstroom
wie ritme uit een box moet lenen hoopt te zingen
maar hij zingt niet

poëzie is geen ootmoedige hoogmis voor de poëzie
want de gelovige gelooft niet of hij zwijgt van ontzag
wie gedragen is valt
glasgerinkel klinke of er klinkt niets
wie zich vergaapt en mummelt met de gemeente
zal niet zingen

heethoofdig samenzweren in een revolutionair café
waar in jeneverdamp een diep doorrookt j’accuse
tegen de gelauwerde canon bijna niet wordt verworpen
is mooi maar geen poëzie
want ware revolutie eet haar vaders op negeert ze niet
maar consumeert en kauwt ze tot ze bloed
en sterke vezels worden om vliegen dood te slaan
die verhit debatteren over je avondmaal

poëzie is niet serieus en niet om te lachen want het is beide
omdat de profeet die waarheid balkt
gekieteld wordt door kemelhaar

poëzie is prinsheerlijk pinkelen in gotham city
terwijl je messen vermoedt en gevallen vrouwen
met prikkende zinnen die je verstrikken in toestanden
en je zegt iets doms poëzie is uilogig
als de man van vele manieren
tegen een godin beleefd beweren dat je van kreta komt
terwijl je op weg naar huis en haar
je zeilen reeft voor nimfen

poëzie is vuig portamento met vals contrapunt
van een lui baldadig orkest dat aan bier denkt
is volmondig met een vos onder de arm bruskeren
lichtvoetig de hoela walsen
als een tuba die onder water
solo pogoot in de spiegelzaal

poëzie is jouw pijn in haar tieten terwijl het regent op de gracht
en je lacht want er valt niets te lachen

poëzie taalt naar hem haar schutspatroon
die duister tegenspreekt wat is en licht ontkent
omdat hij het oprecht als een slang op gespleten poten
met dubbel kruipende tong goed voorheeft met mensen
en hen vervoert met zoet verboden vruchten
en kennis van naakt staan
zij spreekt doorrookt op drie poten met de adem van zwavel
als een vrouw uit de navel met de stem van de zon
zingend onbegrip in de waarheid van mensen

poëzie is vrezen met groten vreze in een slapeloos kinderbedje
omdat je niet weet of je vergramd hebt
dan wel balkend roos herkauwen en weten dat het lukken zal
te spreken als een mens en sprekend als een mens
in donkere catacomben de geheimste woorden
uit de oude boeken te bezweren dat het lood
van de cirkel volgens de gulden snede
pentagrammatisch in de vijfde essentie vierkant raakt
gequadrateerd en leem begint te ademen op voeten
poëzie is gevaarlijk of zij is geen poëzie

poëzie is drie keer durven balken is huilen
bij een tekenfilm is drinken
zonder dorst terwijl je heus wel weet
dat je van fouten moet leren
is krakkemikkig zin kramen is de zestienduidige
paso doble van de kronkelknar

poëzie is mens de dansende wereld dromen en pijnlijk leven zingen
in de taal van mensen
poëzie is mens

Uit: Het glimpen van de welkwiek (2001).

Top
 
AFSCHEIDSDINER

                u kunt afruimen
de witomrande amuse gueule uit de nouvelle cuisine
van chrysanten die in de vaas op de tafel bij het raam staan
maar niet in de vaas op de tafel bij het raam staan
vegetarische stilleventjes geschetst met de zilverstift

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie

Uit: Van de vierkante man (1998).

Top
P R O Z A
 
 
Het is weer begonnen te sneeuwen.

Het is weer begonnen te sneeuwen. Ik heb nauwelijks zicht. De schemer valt vroeg in. Het is maar een paar uur licht geweest. Vandaag moet ik Perovnoje vinden. Voor het donker moet ik Perovnoje vinden. Ik kan niet nog een nacht doorbrengen zonder enige andere bescherming tegen de kou dan het warme lichaam van Curruwitz. Curruwitz is mijn paard. Hij is sterker dan ik. Zonder hem was ik allang dood geweest.
Ik ben Zlev. Mijn missie is Perovnoje te vinden. Mijn missie is riskant. De exacte positie van de vijandelijke linies is onbekend. Ze kunnen niet ver zijn. Ik kan ze ruiken. Ze ruiken naar soldaten, net als ik. Ze lijden kou en ze zijn bang. Net als ik. Ze hebben nauwelijks zicht. Het enige verschil tussen hen en mij is dat zij de vijand zijn. Zij zullen mij moeten doden als ik in hun handen val. Ik moet voorkomen dat ik in hun handen val. De situatie in ons kamp is belabberd. Het is koud. Orders tot opmars naar het oosten blijven uit. De manschappen morren. Ze trekken thee van buskruit, zoals het spreekwoord zegt. De voorraden zijn zo goed als uitgeput. Daarom moet ik Perovnoje vinden.
Ik houd mijzelf in leven met dennennaalden en paardenvijg. Zonder Curruwitz was ik allang dood geweest. In Perovnoje is graan, zegt luitenant Boeb. In Perovnoje zijn varkens die je kunt pekelen en bieten en aardappelen, zegt luitenant Boeb. Daarom moet ik Perovnoje vinden.
Maar ik heb Perovnoje nog niet gevonden. Ik heb niets gevonden dan kale vlakte. De vijand is nabij. Ik mijd de wegen. De benen van Curruwitz zakken diep weg in de sneeuw. De duisternis valt in. Perovnoje vind ik niet.
Ik heb drie zonen en een paard. Mijn zonen heb ik nog nooit gezien. Zonder mijn paard was ik allang dood geweest. Ik heb een rang, een plicht en een missie. Ik heb nooit anders gewild. Mensen praten over het ware leven. Mensen praten zoveel. Er wordt te veel gepraat. Vooral door mensen. Ik neem een voorbeeld aan Curruwitz. Hij is mijn paard. Hij praat niet. Hij galoppeert als ik hem de sporen geef. Dat is het ware leven. Iemand geeft je de sporen en je galoppeert. Iemand heeft geen eten en je gaat het vinden. Iemand wil dat je naar Perovnoje gaat en je gaat naar Perovnoje. Daar zijn geen woorden voor nodig. Daar is slechts missie. Mijn zonen heten Barg, Bargolm en Bargbrur. Ze hebben sterke namen en ze zijn sterke zonen. Ik heb ze nog nooit gezien. Maar ze zullen een missie hebben.
Perovnoje bestaat niet. De auteur heeft een naam verzonnen. Maar het geeft niet. Het is mijn missie om Perovnoje te vinden. Het is inmiddels donker geworden. Ik weet dat ik deze nacht niet zal overleven. Mijn laatste droom zal een droom zijn over Perovnoje, waar graan is en varkens die je kunt pekelen en bieten en aardappelen. Het zal een goede droom zijn. Ik stop deze brief in mijn zadeltas. Curruwitz zal de weg terugvinden naar het kampement. Hij is sterker dan ik. Mijn zonen zullen weten wat mijn missie was...

Uit: Het ware leven, een roman (2006).

Top
 
Neuken. We kenden het woord niet eens.

Neuken. We kenden het woord niet eens. Maar we deden het gewoon. Ach, Parijs.
Jenever kostte toen nog een kwartje in Café Reynders. Maar dan moest je net Remco hebben. Altijd ideeën. We konden hem niet eens bijbenen. Maar nooit een cent op zak, als je begrijpt wat ik bedoel. Dan zaten we daar met Gerrit, Jan, Hans leefde toen nog en Hugo, of was dat pas later? Maar, in ieder geval, het ging over de experimentele roman. Ja, zo ging dat in die dagen. En dan had Hugo nog een fles ergens, god weet hoe hij daar aan kwam, maar wij klaagden niet. En als we echt aan de grond zaten, kwam Karel wel onverwachts binnenwaaien. Met die kop van hem. Had hij weer een gouache verkocht. Daar konden we drie dagen van zuipen. Maar het ging om de ideeën, hè, in die tijd, het experiment. Daar leefden we voor.
Karel had natuurlijk al eerder een voet aan de grond in Parijs. Pied à terre, noemden wij dat. En dat moest toen in die dagen zo’n beetje de basis gaan vormen van de experimentele roman. Achteraf heb ik daar wel eens de wenkbrauwen over gefronst. En achteraf heb ik ook wel een beetje gelijk gekregen. Maar in die tijd ging dat zo. Zo waren we. We wisten niet eens wat het was. We deden het gewoon.
En toch, onze ideeën waren zo slecht nog niet. Maar je moet het allemaal in die tijd zien. Remco was daar een meester in, om het in die tijd te zien. ‘We moeten het in deze tijd zien,’ zei hij altijd. Ach, Remco. Zijn ideeën waren goed. En hij heeft toch wel iets bereikt. Want waar we vanaf wilden, was het fascisme, hè. Het fascisme van de lineaire vertelling. Zo van dat er nog geen mus op het dak kan gaan zitten, als je begrijpt wat ik bedoel. Ja, achteraf lach je erom. Maar we hebben op onze bescheiden manier toch wel iets bereikt. De boel werd zo’n beetje opengebroken. Gewoon, omdat wij onbevooroordeeld de boel te lijf gingen. En verder moet de geschiedenis er maar een oordeel over vellen.
Maar ach, Parijs. Rue de Lille. Ik weet het nog goed. We hadden toen een potkachel. Soms gaf de madame ons extra kolen op zondag. Dat ging nog op kolen in die tijd, hè. Tegenwoordig heb je overal centrale verwarming. Soms denk ik wel eens dat de centrale verwarming het einde van de experimentele roman heeft betekend. Zo, daar heb je eindelijk een uitspraak.
Maar dan heb je nu zo’n boekje van, hoe heet zij ook alweer, mejuffrouw Van Zanten. Geen kwaad woord hoor. Ik ben ook een oude man aan het worden. Maar Napels is toch iets anders dan Parijs in die dagen. Dan heb je het weer helemaal terug, hè, het fascisme van een verhaal met een kop en een staart. Alsof je oorzaken hebt die op hun beurt gevolgen hebben. Dan denk je toch: daar waren wij op onze manier vijftig jaar geleden al zo’n beetje mee klaar. Ja, toen Gerrit die deur intrapte, toen had dat gevolgen. Maar dat was ook een vorm van fascisme.
Maar verder zie ik weinig reden om mij te bemoeien met deze onderhavige roman. Die tijd heb ik zo zoetjes aan wel een beetje achter mij. Ik begin nu toch gewoon een oude man te worden, als je begrijpt wat ik bedoel. Je hebt zesentwintig letters in het alfabet en daar moet je het uiteindelijk toch mee doen. Goochel daar maar een beetje mee. Zie maar wat ervan komt. Maar je moet wel kunnen goochelen natuurlijk, hè, dat vergeten de mensen wel eens.
Maar Parijs. Dat was toch een beetje het ware leven in die tijd. Op zondag kwam de madame ons wel eens een pichet wijn brengen. Pichet, zo noemden wij dat in die tijd. En dat neuken, ach, als je dat in deze tijd ziet, dan stelde dat ook allemaal niet zo heel veel voor, als je begrijpt wat ik bedoel. Het ging meer om het idee. Dat die boel zo’n beetje werd opengebroken. Wat er moest worden opengebroken, wisten we niet eens, we deden het gewoon. En soms vielen er weleens spaanders. Uiteindelijk was dat toch zo’n beetje het einde van de experimentele roman, als je het achteraf bekijkt, die avond dat Gerrit de hele mikmak aan gruzelementen trapte en Remco daar met madame, enfin, Remco was ons allemaal ver vooruit in die tijd. Zonder Remco waren we een handjevol schooiers. Dat kun je toch wel zeggen. Hij had de ideeën. We hebben hem toen mooi begraven, in een hoekje van Père Lachaise. Geld hadden we niet, maar madame had toch ondanks al haar verwondingen een mooie quiche lorraine gebakken. Zo heb ik het nooit meer gegeten. Maar het was het moment, hè. Het was allemaal eigenlijk een vorm van moment in die tijd. Leven, we wisten niet wat het was. We deden het gewoon. Geen kop of staart aan te ontdekken. Schrijf daar maar eens een boek over. Dan heb je je experimentele roman. Ach, leefde Remco nog maar. Hij had wel geweten welke richting het op moet met alles...

Uit: Het ware leven, een roman (2006).

Top
 
Hopjesvla met pindakaas en chocovlokken

Waar het nou helemaal in wezen om draait bij het baggerwezen, kan deze jongen haarfijn uit de doekjes winden. Als je zo’n tijd heb meegedraaid op de bak als ik, dan heb je echt wel twee of drie handjes vol anekdotes meegemaakt in die jaren. Plus die keer dat Babsie op de receptie van die ouwe van Van der Beeren-Biljoen wat flink wat teveel bubbels naar het koppie had gestegen dat ze d’r eigen begon in te vetten met de krabsalade en toen zichzelf uit d’r schouderbandjes ging dansen alsof ze op de bar stond van de Populaire in Penh Yong of hoe heet die mooie stinktoko. En dan zingen van ik ben Babette van de retteketette rettekeslette wie wil mij plette Van der Biljoen wil het wel doen maar voor geen miljoen wil z’n pikkie het doen met al z’n poen poep op z’n schoen. En die jongens d’r meteen als strontvliegen bijstaan natuurlijk. Zo zijn die jongens. Maar van Babsie blijven ze af met d’r ranzige smeerklauwtjes, dat beseffen ze zich dondersgoed. Maar we hebben een prima pot gelachen toen.
Maar dat waren verdullemikkie wel dagen bij de Koninklijke, krijg nou tieten. We liepen daar de godganse etgemalen met onze pikkemansen uit de broek te steigeren en deze jongen toevallig nog wel een beetje krapper als het zooitje als je begrijp wat ik bedoelt. Dus. Er was toen dat liedje van start spreading your legs I’m coming tonight. En wij zingen. En ook die van berenlul berenlul geef me nog wat berenspul. Ook zingen natuurlijk. En dan die kleine van Van Vianen met het kreeptouw aan de verbulsstang met z’n hele adamskostuumpje op de enkels en z’n lilliputpikkie in de drevelolie, krijgt die aap een stijve erectie van hiero tot Tokyo-centrum, het moederneukende keverbeffertje. En wij d’r omheen van berenlul berenlul geef me nog wat berenspul. Vat je hem? Zet die mooie klojo van Roggeborg de brulkop op die vette smeerpaal van ’m. Helemaal leip die Rogge. Het zonnetje in huis. En wij zingen. Wat doet die piemelepenis van Van der Vianen? Gaat ie ook het hoogste liedje kwelen als je begrijp wat ik bedoelt. Dus wij hem op z’n kantje kantelen van start spreading your legs en d’r allemaal overheen één voor één tussen die kleffe kadetjes van ’m de homo.
Dus. Sta ik er al weer fraai op. Heb nog geeneens niet aangevangen. Maar ik ben meer van het gevoelige typ. Kerles wipper en de bolero van Bo Derrick en dat soort romantisch geshit. Babsie, geil baggerinnetje van me, zeg ik dan, zet jij eens als de brandweer een zwijmelend geilplaatje op met je soppende baggerkut, want deze jongen gaat even romantisch in je huishouden met zijn zuigstang. Dat zeg ik dan. En haal dan ook gelijk even een koude kletser voor me uit de koelkast want ik moet er wel wat bij te drinken hebben als ik je volpomp. Dat zeg ik dan. En dan pakken natuurlijk. Zij zo op haar knietjes voor de bank met haar mosselkoppie in de hoogte, flinke slok van ome Freddie, en volschokken die baggerput. Het is zo’n lekkere schat van me.
Als we dan maanden op de bak zaten en als we dan sjorlief hadden en als we dan een beetje rondketend in de weer gingen rampestampen ketsend en wel bij die jonkies van de oudste beroepsprofessie, dan dacht ik op en af wel eens aan d’r hoor, Babseflaps, mijn bloedens eigenste baggerinnetje. Zo ben ik dan ook wel weer. Leg je met je oplegger zo’n strak slootje uit te baggeren, denk je toch willekeurig even aan moeders de vrouw thuis met d’r sappige beerput. Dat is liefde, hè. Net een parkeergarage. Van dat je getrouwd met je ogen dicht achteruit ken inparkeren hoeveel je nou gezopen heb of niet. Overigens is dat heel normaal in die culturen. Plus dat ze er in die landen veel jonger uitzien als ze in het echt zijn. Plus dat we nogal wiedes nogal tamelijk in een hele stoot glazen van het een en ander hadden zitten koekeloeren op het sjorlief want de innerlijke mens wil ook wat na al die tijd op de bak. Dan ga je leeftijden dubbel zien. Maar je geeft ze er ook wel wat voor terug. Liefde geef je ze ervoor terug. Ik zou hem met mijn blote klauwen zijn tokus van zijn romp scheuren en in beide neusgaten raggen dat de bloedspetters hem uit zijn aars spatten en dat hij uit beide oren ken pissen als ze het in d’r weke grijze massa harsencelletjes zou halen, zo gek ben ik met dat wijf. Maar zo is Babsie niet.
Lagen we met de Koninklijke een paar maandjes voor de kust van zo’n Kamelistan. Voor die knakkers een haventje of vliegveld opspuiten, maakt ons het uit, wij baggeren wel. Als je voor die tweeduizend paardenkut zuigstangaandrijvers staat met je goeie gedrag dan ken je maar beter je tellen op een rijtje hebben. Dan ken je maar beter donders goed weten waar je mee bezig bent. Dat soort dingen beseffen ze zich hier niet. Een afgerukt ledemaat zit in een klein hoekje. Kennen ze je benedendeks een handje geven terwijl je boven je klauwen staat na te tellen. Of ken je lekker met je tokkeletokus hinkelend naar de hihahoeren om de broodnodoge boel te laten afromen omdat je geeneens meer met je handjes netjes boven de dekens ken leggen. Misschien kan ze dan voor een tientje extra gelijk even in je gok boren als ze toch bezig is. Spaar je wel weer uit in je schoenen voor de halve prijs. Ober, heb u een rietje? En ken u misschien ook ergens een satéprikker klaarzetten want ik heb toevallig godstergende jeuk aan mijn aarshol. Dat werk. Maar daar hoef je bij zo’n academici hiero niet mee aan te komen proppen in z’n witte pakkie van de tandpastareclame. Zo’n ouwehoeroloog heeft nog never nooit geen bulkstang door de zuigtrommel zien gieren bij die temperaturen. En maar glimlachen met dat smoelwerk van wat zitten we mekaar toch fijn begrijpend van de straat te houden met mekander. Mooie gek.
Dus. Maar die mooie gek van Van Piepenburg lag wel mooi een partijtje naar de andere wereld te piepen. Geef die zuiger een vinger en hij pak je hele hebben en houen, zeggen ze bij ons bij de Koninklijke. Wie geen respect heb voor de zuigstangaandrijvers, heb geen respect voor het baggeren. Dat zijn mijn woorden. Dan kan het nog zo in de cijfers lopen qua klein nulletje c dat de kamelen bij wijze van het spreekwoordelijke dak vallen, er moet wel gebaggerd worden en baggeren wendt of keert à la priori om respect voor het brok vermogen dat zo’n bak in zich huist, dat kan deze jongen je wel vertellen. Nou was die Van Piepenmans al sowiesowieso niet bepaaldelijk van het typ dat het zwarte buskruid heeft uitgevonden als je begrijp wat ik bedoelt. Lag die na dienst van kooienstein in een boekie te koekeloeren. Zonder plaatjes als je begrijp wat ik bedoelt. Daar maak je geen beste vrienden mee op de bak. En je beste vriendje wordt er ook niet bepaaldelijk opstandig van. Lag de hele shift daar zijn pinkeltje voor te lezen van plakkend glimpapier, zat die Van der Piepen met die arrogante kanis van hem lettertjes te lezen over het een of ander. Dan krijg je dat soort dingen. Dan moet je niet als de uitgemoorde onschuld op je tokus gaan zitten turen alsof ze in Keulen met je gebroken klompen aan het donderjagen zijn als ze je even een lesje van eigen deeg komen inpeperen. Zo zijn die jongens. Staat daar plots de hele shift voor je kooi zo van legt ie lekker te lezen, Van Piepen? Geil boekie? Mogen wij eens even uitverifiëren of meneer de president-generaal al een beetje opstandig in staat van kennelijke opwinding wil steigeren? Zullen wij eens even de fundering onder die vunsdeken van je aan een nadere zoektocht onderwerpen? Wat krijgen we nou, Van Piepstein, onderbroekje nog aan in bed? Zeker een zoeverniertje van een van die zandnegertjes die je in d’r minderjarige poepertje heb geprakt. Gesignaleerd met zijn eigen poepstreep. Was getekend ware liefde in je hol tot de dood ons uitschijt amen. Daar leg je zeker wel eens van de stiekeme aan te snuffen met dat arrogante snuitje van je hè Piepmans? Lekker interlectueel je eigenwijze neus in ’s anderenmans stoelgang steken en dan een gedichie leggen snotteren van candle-light van ik hou van jouw aars en ik blijf je trouw hij is zo paars. Daar houden wij niet zo van, Van der Piepstein, begrijp je dat? We hebben het niet zo op stinkaapneukertjes die d’r wijsneusje niet thuis kunnen houwen. Maar we zullen je wel even een mooi handje helpen, Verpiepen. We zijn mitsgaders je beroerdste vrienden niet. Hiero. We pellen dat dierbare kwijlslipje wel even van je roomblanke billetjes, Piepermans. Wat gaan wij nou beleven? Wat hebben we me daar in onze broekjes hangen? Piepertje doet de naam van zijn kleine heer eer aan. Was dat lekkere lettertjesboekje van je toch niet zo spannend als je had gehoopt? Komen er te weinig Abracadullahtjes in voor die met d’r sabbelende apenaarsjes vol soppige kamelenpoep naar je minaretje liggen te piepen zo van Allah heeft een grote dus prak je profeetje maar in mijn geilige grotje van Medina dat je me laat mekkeren als een tochtig schaap aan het spit? Of hebben wij je concentratie verstoord? Is dat het soms, Piepenburg? Hebben wij je uit je concentratie gehaald? Maar dat was toch helegander niet onze diepere bedoeling? Of ie onze excuses maar nederig wilt verschonen, mijnheer Van der Piepenborgh. Maar we zullen het goed met je maken. We zullen je wel weer bij de les trekken met dat impopulente snorkeltje van je. Zo zijn wij dan ook wel weer. Van je vrienden ken je aankomen, hè Piepenmannetje? Dat is toch zo? Ja toch niet dan? Nou dan. Hiero. Zie je deze hier? Dat is wat wij bij ons thuis een gezonde heipaal noemen. Dat is nou eens een gezonde Hollandse jongen van een heipaal, zeggen ze dan bij ons thuis. Ja kijk maar eens goed uit de dopjes met je wipperneusje d’r bovenop. En wat doen wij dan bij ons thuis met onze pronte praalhansjes? Drie keer de honderdduizend raden en door voor de koelkast. We zullen je het concrete antwoord correct voorverklappen, want wij hebben het immers welgenegen goed met je voor. Wat wij dan doen, is dat wij gore stronteigenwijze strontholproppertjes d’r vieze islamitische strontbroekje van d’r moslimkamelenstrontbeffende strontarabiertje in d’r strontmuil proppen en dat wij daarop vervolgens onze gezonde Hollandse ondernemingslust in die wijsneus heien. Zo doen wij dat. En wat doen wij aanstonds daaropvolgend? Wij bewegen ons conform de oudste beweging over de lengte-as van het neuswijze reukwerk en wij snuiten onze snikkels leeg in dat snotneusje met een kwak klodders dat er geen lieve zakdoek meer aan helpt van je moeder. Hiero. Ken die eikel nog eens iets romigers ruiken dan die kamelenmest aan zijn eigen eikel. Wil hem dat al een beetje d’r bovenop winden of hangt ie nog steeds met zijn prakkertje bij de pakken op half zeven neer te bungelen? Misschien stinkt hij nog steeds uit zijn neus naar muzelkak. Hardnekkige meur die moslims. Moet zijn neusje wellicht nog wat worden bijgepoederd. We kunnen nog wel wat ladinkjes lossen hoor, Van Piepburgen, want we zijn hier allemaal eerlijke Hollandse erecties die niet te beroerd zijn hun staafwerk in andersmans gok te boren. Doen we dan toch? Ja toch niet dan? Nou dan. Keurig netjes één voor één plus een handje volle klodders over de hele rest van dat arrogante smoeltje van je dat je d’r uitziet als een hoer die ze aan d’r enkels in een vat borghulsvet hebben gehangen. De geilheid druipt van d’r gezicht zeggen ze dan. Maar je kleinduimpje wil nog niet bepaaldelijk tegen Goliath in opstand komen hè Van Piepstein? Hoe kan dat nou? Staan wij ons hier met zijn allen voor je hard te maken en ons een ons voor je uit te sloven, werk jij weer niet mee. Daar houden wij niet zo van, Van der Piepert, begrijp je dat? We hebben het niet zo op van die wijsgierige mannetjes die als het paaltje erop aankomt niet thuis geven en hun snor poetsen. We zijn hier op de bak allemaal op elkander aangewezen. Allemaal de wapperende handjes uit de opgerolde armen en wie het spelletje niet participeert is een luie nsb’er. We zijn een team, Van Pieperenstein, begrijp je dat? Maar we snappen het wel hoor. Van der Piepberg heeft het lekkerder op met de bruine hè Piep? Is meer van de sodemieterende hopjesvla met pindakaas en chocovlokken. Kan hij ook niks niet aan doen, vindt ie gewoon lekker hè Van der Piepstein? Nou, ik wil het goed met je maken. Doen we dan toch gewoon? Ja toch niet dan? Nou dan. Laten we voor onze goede vriend toch gewoon even de broek van onze reten zakken en gaan we toch gewoon even op zijn interlectuele kutsmoel zitten dat we hem even lekker in zijn bek schijten als ie dat nou lekker vindt? En weet je wat Joost weet, je heb ook nog eens een keer alle geluk van de wereld want deze jongen is van die kamelenbiefstuk met ezelpissaus toevallig godstergend aan de schijterij. Stan Laurel is er niks bij. Hiero. Mooie plas dunne spuitkak voor je over dat wijsneusje dat het in je oren druipt alstublaf dankuwel graag gedaan. Zo. Kadetje satésaus. Nou blij? En nou je mond spoelen. Gadverderriemedamme, wat zie jij eruit! Alsof ze je met je blote bek de vuilwaterdrekpijp hebben laten uitlikken. Dat ik hiero even niet uit me nek kots zeg. Waarom doe je nou zoiets? En dan zo gewoon op je vrolijke boerenfluitje in je kooi gaan leggen meuren tussen je propere maten. Vind je dat zelf ook niet een beetje van der aso, Pieperen? Ga jij maar eens heel erg vlot als de jodelende brandweer met je gore smoel in de koelwatertank van de drevelafzuiger hangen en vlug een beetje tot je je weer een beetje toonbaar kunt vertonen. En vergeet je tandjes niet te poetsen. Je meurt uit het mondje.
Dat werk. Maar dat beseffen ze zich hier niet. Het wil er gewoon niet in bij die koppies van ze. Wie nooit niet van nabij op de bak heb gezeten, die weet niet van de vork en de steel, zeggen ze bij ons bij de Koninklijke. Als je het leven niet heb meegemaakt, dan weet je er niks van. Dat zijn mijn woorden. En wel d’r bek vol van me zus en me zo en me persoonlijkheidsstructuur hier en racende dieven daar. Maar zo’n professorandus in de interessantitis heb er in de flauwste verte geeneens geen benul van hoe een kwelderdrijver door de dregtrommel kankert als de borgpen is losgeschoten, laat maar staan dat hij zich voor zijn botte geestesoog kan voorstellen hoe Van Piepenburg d’r bijlag toen ze hem benedendeks aantroffen stukjes bij beetjes. Maar dat is chapiter twee.

Uit: Het grote baggerboek (2004).

Top
 
. . .

Leden van de jury, ik hoop dat u mij wilt toestaan op dit punt een zijstraat in te slaan, die wellicht afwijkt van de kortste weg naar onze bestemming, de duistere, verdoemde steeg in de wijk Minair waar ik mijn misdaad, of vermeende misdaad, heb begaan, maar die ons voert langs een route die een belangrijk inzicht zal verschaffen in mijn zaak. Het gaat tenslotte om niets minder dan mijn geloofwaardigheid. Ik wil de vraag opwerpen naar de betrouwbaarheid van mijn herinneringen aan de tragische gebeurtenissen op voornoemde dertiende april, om u ervan te overtuigen dat uw oordeel vergemakkelijkt wordt door het feit dat u kunt vertrouwen op mijn geheugen.
Wie, zoals ik op dit moment, de houvast van uitgeschreven teksten of punten op papier moet ontberen en uit zijn hoofd een redevoering houdt, hanteert bepaalde technieken om de draad van zijn betoog vast te houden. Deze technieken maken deel uit van de Ars Memorativa, de kunst van het herinneren, die al in de Oudheid in vele geschriften is beschreven. Een van de meest effectieve methoden maakt gebruik van de mnemonische ruimte. De redenaar memoriseert zijn betoog door zich een stad voor te stellen die hij goed kent. In zijn verbeelding wandelt hij door de stad langs een route die hij in de werkelijkheid vele malen heeft afgelegd en die rijk is aan markante herkenningspunten, zoals monumenten, openbare gebouwen, bijzondere café’s, pleinen, fonteinen, bibliotheken of kerken. Deze herkenningspunten dienen als loci, als topoi, als gemeenplaatsen. Tijdens zijn mentale wandeling repeteert de redenaar de hoofdpunten van zijn betoog waarbij hij elk punt associeert met een bepaalde geheugenplaats. Elke episode van zijn verhaal wordt als het ware vastgeklonken aan een specifiek herkenningspunt op de geselecteerde route door de stad. Wanneer de redenaar dan tenslotte opstaat en het woord neemt ten overstaan van zijn publiek, hoeft hij niets anders te doen dan al sprekend dezelfde wandeling af te leggen in zijn hoofd en de punten van zijn betoog op te rapen van de geheugenplaatsen die hij op zijn weg tegenkomt.
Al in de Oudheid wordt erop gewezen dat het van belang is de juiste geheugenplaatsen te kiezen voor de hoofdpunten van je rede. Wanneer de associaties volledig willekeurig zijn, is het geheugen minder geholpen dan wanneer er een logisch, inhoudelijk verband bestaat tussen de plek en het verhaal. Je moet je niet zozeer laten leiden door markante locaties als zodanig, maar door de betekenis die deze locaties hebben. Je moet de stad niet bezoeken, je moet haar lezen. De oude geschriften raden dan ook aan de agora of het forum te kiezen als mnemonische ruimte, het politieke en religieuze hart van de stad, waar wetsteksten in steen zijn uitgehouwen, waar raadsbesluiten in marmer staan opgesteld, waar tempels van de goden zijn gedecoreerd met verhalen van hun wrekende macht, waar zich de monumenten bevinden voor gevallen soldaten en waar triomfbogen verslag uitbrengen van gewonnen veldslagen. Daar is de stad leesbaar. Daar hebben plekken betekenis. De beste redenaar is de redenaar die in staat is zijn betoog voor te lezen als een wandeling langs de verhalen die de stad zelf vertelt. Hij staat op het spreekgestoelte, overziet het forum en houdt een vlammend pleidooi, waarbij hij de wetten citeert, raadsbesluiten in herinnering brengt, een beroep doet op de morele waarden die de goden bewaken, refereert aan de offers die door de voorvaderen zijn gebracht en glorieuze overwinningen van het keizerrijk tot voorbeeld stelt.
Deze kunst heb ik mij eigen gemaakt. Ik sta voor u en spreek terwijl ik u meeneem op een wandeling door de stad langs de plaatsen van mijn geheugen. De woorden die ik uitspreek zijn de woorden die ik bedoel uit te spreken, omdat ze zijn ingemetseld, uitgehouwen en vastgeklonken in de muren en monumenten van de stad. De gebeurtenissen die deze woorden verbeelden zijn de gebeurtenissen die ik mij herinner. Deze herinnering is onfeilbaar en deze gebeurtenissen zijn de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, omdat ze, net als mijn betoog, zijn verankerd in de route die ik afleg en verweven met de verhalen die de stad vertelt. Uw tegenwerping dat onze stad geen agora heeft of forum en dat raadsbesluiten en wetsteksten niet langer in steen worden uitgehouwen, doet niet ter zake. Onze stad buldert betekenis voor wie haar wil horen. Het monument voor de admiraals van de Slag bij Tolo op Plein 1818 vertelt dat aftandse schoeners, geroeid met moed, daadkracht en list, een imposante flottielje naar de kelder kunnen helpen. Op de Bloemenmarkt, vlak om de hoek, staat het ruiterstandbeeld van koning Randolfus de Roekeloze, die bij het beleg van 1457 om het leven kwam toen hij zijn benarde scharen te hulp wilde vliegen door voorzien van reuzachtige linnen vlerken van de stadsmuur af te springen. Het portaal van de Belauskerk op dat plein verbeeldt het verhaal van de ongelovige Thomas. Het restaurant daar pal tegenover heet Het Leugenpaleis. De daarnaast gelegen bibliotheek van de theologische faculteit is gehuisvest in het voormalige meisjesweeshuis dat is gesticht door Margaretha van Abonk die zich hier ter stede een fortuin had verworven door haar lichaam geliefd te maken bij de hogere kringen, geslagen werd door amnesie, in het ledikant van de bisschop van Álkala bezocht werd door een visioen van de Heilige Maagd die haar onbevlekte schoot ontblootte, waarna zij zich, genezen, haar gehele zondige leven herinnerde, intrad en als weldoeneres veel aan de stad heeft nagelaten, waaronder ook de bierbrouwerij achter het Rivelath die in die dagen van ontucht, pest en besmet water vele geestelijken, burgers en gevallen vrouwen het leven heeft gered. Moet ik, leden van de jury, nog meer verzinnen?
En we hoeven ons niet te beperken tot de annalen van de stad die als een ongebonden manuscript door de wind zijn verwaaid om neer te fladderen op verschillende openbare gebouwen en monumenten. Ook mijn eigen geschiedenis staat geschreven in de gevels. Ik ken deze stad. Ik heb haar al mijn jaren bemind, bedrogen, begeerd en beleefd. Mijn stad is mijn geheim dagboek. De episoden zijn onleesbaar voor de ogen van jaloerse minnaressen en voor de veiligheid verspreid over talloze locaties. Maar ik herlees de notities uit mijn verleden telkens wanneer ik een pand, populier of postkantoor passeer waar zich mijn verleden heeft afgespeeld. Wanneer ik wandel, zoals ik wandelde op de onderhavige dertiende april, blader ik door het logboek van mijn leven en lees ik, episodisch en onchronologisch, mijn eigen verhaal dat net als mijn huidige verslag de lijnen volgt van de stadsplattegrond. Ik zal u een voorbeeld geven.

Uit: Rupert. Een bekentenis (2002).

Top
 
. . .

Zij was mijn marteling, mijn messteek en mijn mierzoete, zinderende Mira. Zij stond als een spiegelbeeld voor mijn ogen toen ik haar voor het eerst zag staan, doodde mij toen zij de mijne was en wekte mij ten lange leste tot leven toen ze mij definitief vermoordde. Zij was de lentezon die mij met stralende ogen naar buiten lokte en de stad waarin ik verdwaalde. Ik droomde van haar warme, verwarde loomheid als zij nog niet wilde opstaan in de ochtend, haar ravissant plompverloren aanwezigheid in de middag, haar gesprekken tussen spiegels in haar twinkelend ingerichte lievelingslokaal en haar dodelijke lonken na zonsondergang. Zij was als drie godinnen die alle drie levensecht als de allermooiste waren afgebeeld op een mystieke schildering die in een droom door een engel was voltooid en zij was als de dame van zeven maal zeven rozen die de acteur zijn rollen ontnam. Zij was alle vrouwen die ik had verzonnen en duizendmaal bemind en zij was zeven maal zeven maal mooier dan zij en zij was echt. Zij was feit dat fictie onmogelijk maakte. En in al haar weergaloze werkelijkheid verschrompelde ze mij om mij pas op te richten toen ze mij definitief brak en tot droom vervaagde.
Ik heb haar, hoe kan het ook anders, bij toeval leren kennen. Ik was door Benno, de klootzak, meegenomen naar een feest van een gemeenschappelijke studievriend die we al tijden niet meer hadden gezien omdat hij de stad had verlaten. Het feest was ver, helemaal in Kse-Waga op Wagaland en al voordat ik zelfs nog aan boord was van de draagvleugelboot had ik er spijt van dat ik mij had laten overhalen om mee te gaan. Maar nu teruggaan, dat zou een belediging zijn aan het gekke plan om gewoon te gaan, leuk tochtje toch, niet zeuren, zonde om thuis te zitten. Het feest viel tegen. Er was zelfgemaakte bowl, veel wijn, pindanootjes en heel veel mensen, maar nauwelijks bekenden. Ik wilde vroeg naar huis gaan, maar zoals gewoonlijk miste ik de daadkracht om te besluiten niet te blijven en ongemerkt werd het zo laat dat er geen enkele reden meer was om het niet nog later te maken. Dus pendelde ik wat op en neer tussen nootjes en flessen, openers en asbakken, kamer en tuin, tuin en wc, wc en kamer, praatjes en gesprekken en af en toe wat herinneringen met de oude studievriend die ik eigenlijk weinig had te melden. Benno, de klootzak, was al naar huis. Ik had net mijn zoveelste laatste glas ingeschonken, was de tuin maar weer eens ingelopen, had daar langzaam het zoveelste uitstekende shagje gerold en stond even rustig zonder diepe gedachten, plan of oordeel ergens over in mijn eentje te roken, toen zij opeens voor mij stond. Zij trof mij als een nekschot. Ze was prachtig en meer dan dat. Ze was echt. Ik was zo in de war dat ik niets anders kon bedenken dan haar te vragen of ze misschien een vuurtje wilde. ‘Dat is heel lief van je, dank je, maar ik rook niet.’ Toen wist ik niets meer te zeggen. ‘Maar geef me toch maar een vuurtje, als je dat graag wilt. Dan doe ik net alsof ik zwoel ben en dan kijken we elkaar in de ogen. Dat wil je toch?’ Ik lachte hartelijk, alsof ik ontspannen lachte om een goede grap, maar ze had donkergroene ogen die straalden als de blik van een roofdier in het oerwoud en ik wist dat ik haar nooit meer mocht laten gaan. ‘Geef me maar een beetje van jouw wijn. Mijn glas is leeg. Hoe heet je eigenlijk?’ Rupert de Radeloze maakte zichzelf bekend en wist vervolgens niet hoe het verder moest met zijn leven. Hoewel ik niet in staat was gebleken de evidente wedervraag te stellen, vertelde zij mij dat ze Mira heette. Toen ze vroeg waar ik vandaan kwam, geschiedde het heerlijke, hemelse o wat toevallig. Het bleek dat zij in Kse-Waga studeerde, maar problemen had gekregen met de een of andere docent. Zij had besloten haar studie in onze stad voort te zetten. Ze had net, twee dagen geleden een kamer gevonden met een mooi, oud balkenplafond, tweehoog in een straat met een hele gekke naam in het hart van de stad. Ze zou deze week verhuizen. ‘Ik moet zo gaan, Rupert. Maar wat leuk dat ik je hier heb ontmoet. Nu ken ik tenminste al één iemand in die stad. Zullen we iets afspreken? Vind je het leuk om mijn nieuwe kamer te komen bekijken? Ik zou dat heel leuk vinden. Kun je volgend weekend? Zaterdagavond? Dan zal ik iets voor je koken. Ik vind het leuk om in mijn nieuwe huis in mijn nieuwe stad iets lekkers te koken voor een nieuwe vriend.’ Rupert kon wel volgend weekend op zaterdagavond. O wat kon Rupert op die avond. Zij gaf mij drie zoenen op de wang. ‘Doei. Ik moet nu echt gaan. Maar ik zie je volgende week. Wel komen hè.’ Rupert bleef achter in die donkere tuin als een afgelegen eiland in de oceaan waar zojuist een alles verwoestende tornado overheen is geraasd. Ja, zeker, Rupert zou wel komen. Natuurlijk zou hij komen. Hij kon niet wachten tot het zaterdag werd.

Uit: Rupert. Een bekentenis (2002).

Top

P O Ë Z I E
 
Uit: In de naam van de hond. De grote gedichten (2005).
  • ZEG MAAR ORPHEUS MET EEN MOND VOL GRIND
  • CAROLINA (LAATSTE GEDICHT)

    Uit: Dolores. Elegieën (2002).

  • HET IDEALE GEDICHT

    Uit: Het glimpen van de welkwiek (2001).

  • VUURVOGEL

    Uit: Van de vierkante man (1998).

  • AFSCHEIDSDINER

    Eerder voorgedragen op het festival Winternachten in Den Haag

  • MONOLOOG OVER HOLLAND


  • P R O Z A
     
    Uit: Het ware leven, een roman (2006)
  • Het is weer begonnen te sneeuwen.
  • Neuken. We kenden het woord niet eens.

    Uit: Het grote baggerboek (2004).

  • Hopjesvla met pindakaas en chocovlokken

    Uit: Rupert. Een bekentenis (2002).

  • FRAGMENT 1
  • FRAGMENT 2


  • E S S A Y Ï S T I E K
     
    Uit NRC Handelsblad, 27 januari 2006
  • Linguam et mores secum vexit